Pieter-Paul Verhaeghe

Gent als migrantenstad: nieuwe vormen, nieuwe gedachten?

Migratie is reeds vele jaren één van de meest besproken thema’s in de Belgische en Vlaamse politiek. In deze nota bespreken we, weliswaar zeer beknopt, enkele hoofdkenmerken van de migratie naar Gent. Vervolgens bespreken we een aantal uitdagingen voor het beleid en schetsen we een aantal uitdagingen voor de toekomst.

Van diversiteit naar superdiversiteit

Nog al te vaak gaat men er in Vlaanderen van uit dat migratie iets te maken heeft met de komst van voornamelijk Turken en Marokkanen naar ons land en hun participatie aan het maatschappelijke leven. Gedurende lange tijd was dit ook zo. Tot het einde van de Koude Oorlog gebeurde migratie voornamelijk door laaggeschoolde arbeiders en hun familie uit de Mediterrane landen enerzijds en door goed verdienende hoogopgeleiden uit voornamelijk Europese buurlanden. Sinds de desintegratie van de Sovjet-Unie komen migranten uit alle hoeken van de wereld, wat geleid heeft tot een bijzonder complexe demografische en sociologische samenstelling van de inwoners van West-Europese steden en hun wijken. Immigratie is niet meer een kwestie van een beperkt aantal herkomstlanden, maar juist van vele landen. Momenteel heeft Gent inwoners van meer dan 160 verschillende nationaliteiten. De 10 grootste migrantengroepen in Gent komen uit Turkije, Bulgarije, Marokko, Nederland, Rusland, Slowakije, Polen, Ghana, Tunesië, Frankrijk en Algerije (in volgorde van groepsgrootte).

Ook de aard van de migratie is veranderd. In de jaren ’60 en ’70 kwamen de Mediterrane gastarbeiders om hier tijdelijk te komen werken en nadien terug te keren. Door de officiële migratiestop van 1974 besloten velen echter om permanent in België te blijven. Nadien brachten velen hun kinderen over en zochten huwelijkspartners in het land van herkomst. Deze twee vormen van gezinsmigratie zijn nog steeds het grootste officiële migratiekanaal naar Gent. Het doel van deze migranten werd/is dus een permanente vestiging in ons land. Door de toegenomen transport- en communicatiemogelijkheden en de gewijzigde internationale politieke context is veel migratie van de laatste twee decennia echter van meer tijdelijke aard. Veel migranten komen en gaan. Ze doen aan seizoensmigratie of aan cirkelmigratie waarbij ze verschillende landen aandoen (bvb. eerst wat werken in Duitsland, nadien in België om vervolgens na een kort verblijf in het land van herkomst in Nederland te gaan werken). Doordat de grenzen van de Europese Unie relatief open zijn, is deze seizoens- of cirkelmigratie voornamelijk het patroon van de Oost-Europese migranten. Veel (Turkssprekende) Bulgaarse migranten komen bijvoorbeeld legaal naar Gent, maar registreren zich niet en verrichten zwart werk (met alle sociale gevolgen van dien, zowel voor hen als voor de Gentse werknemers). Daarnaast komen veel (niet-Europese) migranten ook in het kader van een asielprocedure. Na de asielcrisis van rond de eeuwwisseling is het aantal asielzoekers in Gent echter drastisch gedaald (van 5.887 in 2001 naar 855 in 2010). Niet weinig van de uitgeprocedeerde asielzoekers bleven echter ‘illegaal’ in Gent of in andere Europese steden, of werden geregulariseerd.

Dit toenemende aantal herkomstlanden en de gewijzigde patronen van migratie heeft geleid tot wat Prof. Vertovec een situatie van ‘superdiversiteit’ noemt. Superdiversiteit wordt omschreven als waarin mensen met verschillende etnische, taalkundige, culturele en religieuze achtergronden samenleven waardoor de bestaande migratie- en integratiebeleidslijnen irrelevant worden omdat ze uitgaan van een bepaald beeld van de migratie die in de werkelijkheid niet (meer) bestaat.

Deze vaststelling heeft belangrijke gevolgen voor de zorg- en opvangsector, het onderwijs en de media. Aangezien de structuren van de maatschappij dermate zijn veranderd, zullen deze sectoren hun oude denkbeelden van een stabiele en transparante migratie moeten ruilen voor een complexer verhaal. Het klassieke verhaal van ‘integratie’ of ‘inburgering’ wordt redundant aangezien de migratiestromen steeds meer van tijdelijke aard, ongeregistreerd of illegaal zijn. Vandaar ook dat de opvang- en zorgsector voor de uitdaging staat om haar methodes en procedures aan te passen aan het veranderende sociologische karakter van haar ‘cliënten’. Dit is niet enkel een socio-economische kwestie maar, fundamenteler, een essentiële verandering in onze maatschappij. We moeten, met andere woorden, opnieuw leren omgaan met de werkelijke complexiteit van migratie en etnische diversiteit om adequate beleidsmaatregelen te kunnen bedenken.

De ongelijke spreiding van migratie

Vaak wordt gesteld dat een stad en haar diensten geconfronteerd worden met migratiestromen die ze nauwelijks kunnen controleren. Zolang men immers de economische en politieke drijfveren in het land van herkomst niet aanpakt, zullen de migranten blijven komen. Migratie en de etnische superdiversiteit brengen echter een aantal problemen met zich mee die zich voornamelijk op het lokale niveau laten voelen. Nieuwe Gentenaars kennen of volgen niet altijd de verkeers- en afvalregels. Ze spreken niet of minder goed Nederlands. Door de tijdelijkheid van hun verblijf en/of uit pure economische noodzaak zijn ze bereid om werk te verrichten in precaire arbeidsomstandigheden, waardoor ze de arbeidsmarktposities van de andere werknemers en hun syndicale vertegenwoordigers verzwakken. Ze zetten de plaatselijke dienstverlening onder druk.  De discussie over hoe het Gentse OCMW moet omgaan met het groeiend aantal en de oververtegenwoordiging van Bulgaarse en Slowaakse leefloners is daar een voorbeeld van.

Migratie treft een stad ook niet op een uniforme manier. Migratie is geen Gents fenomeen, maar een fenomeen van een beperkt aantal Gentse buurten. Van de 201 buurten die de stad Gent rijk is, zijn er 47% volledig Belgisch (≥ 95% ‘etnische Belgen’) en nog eens 31% bijna volledig Belgisch (≥ 80% en < 95% ‘etnische Belgen’). Met andere woorden, de superdiversiteit beperkt zich in Gent tot 22% van de buurten. In slechts 6 buurten maken Belgische Gentenaars er de minderheid uit. Het zijn dus slechts een handvol buurten in de stad die het gros van de migranten opvangt en die dus het meest te maken hebben met de specifieke problemen die met de superdiversiteit gepaard gaan. Deze etnisch diverse buurten zijn nu net die buurten die reeds kampen met tal van andere uitdagingen: hoge werkloosheid, lage scholing, huisvestingsproblemen, sluikstorten, roekeloos verkeer… Het zijn dus voornamelijk de sociaaleconomisch zwakkere wijken die de (nieuwe) migratiegolven mogen opvangen.

Geïntegreerd buurtgericht beleid

Omwille van deze ongelijke spreiding van de migratie en de sociaaleconomische problemen, pleiten we voor een geïntegreerd buurtgericht beleid. De stad Gent doet reeds aan een wijkgerichte aanpak. Deze benadering moet ze consolideren en versterken, en indien mogelijk doortrekken naar nog lagere niveaus dan de 25 relatief heterogene wijken die ze nu onderscheidt. Op korte termijn moeten de meest zichtbare en hinderlijke problemen aangepakt wordt zoals het sluikstorten, het nachtlawaai en de verkeersproblemen. Op middellange termijn moeten men prioritair inzetten op minstens drie punten. Ten eerste zou men de maatschappelijke positie van de (nieuwe) inwoners moeten versterken door hun participatie te verhogen in het (taal)onderwijs, de arbeidsmarkt en het sociale leven. Het doel hier moet evenwel een duurzame participatie zijn. Tewerkstelling in precaire jobs moet dus vermeden worden. Ten tweede zou men iets moeten doen aan de slechte reputatie van bepaalde buurten. Dit ‘symbolische geweld’ hindert vaak de sociale inclusie van de inwoners en vormt ook een rem op het ontwikkelen van sociale netwerken binnen de buurt. Ten slotte moet men verder inzetten op het diversifiëren en het uitbreiden van het (sociale) woningaanbod in Gent.

Een dergelijk buurtgericht beleid vormt tegelijk een ideale manier om de mensen van de wijk zelf te betrekken (door bestaande initiatieven te ondersteunen of nieuwe acties aan te moedigen). Zo’n territoriaal beleid heeft bovendien het voordeel dat het bepaalde aspecten van een falende markt (te weinig privé-investeringen in de wijk) en de huidige economische crisis voor een stuk kan compenseren.

Tegelijkertijd moet een territoriaal beleid voorzichtig worden gehanteerd en geïntegreerd worden binnen een coherent (groot)stedelijk beleid. Het opwaarderen van een buurt mag niet leiden tot een verplaatsing van de problemen naar een andere wijk (dit is de zogenaamde ‘gentrificatie’, waarbij, door het aantrekken van meer kapitaalkrachtige gezinnen naar een wijk de oorspronkelijke huur- en koopprijzen de hoogte in gaan, waardoor de meest sociaal-economische kwetsbare gezinnen zich op termijn genoodzaakt zien om hun wijk te verlaten). Daarenboven zal een territoriaal beleid alleen vruchten afwerpen wanneer het gecombineerd wordt met een geïntegreerd beleid op federaal en regionaal niveau.

Discriminatie

Ondanks alle pogingen om het uit de wereld te helpen, is discriminatie nog steeds een trieste realiteit in Vlaanderen en in Gent. Etnische minderheden worden geconfronteerd met vooroordelen en hun gedragsmatige discriminatoire exponenten op de arbeidsmarkt, in het onderwijs, op de woningmarkt en in de media. Opmerkelijk binnen de Gentse context is echter dat de vooroordelen en het stigma zich meer en meer uitbreiden (en verschuiven) naar de Oost-Europese migranten. Voornamelijk de Bulgaren, Slowaken en Roemenen (en onder hen de Roma) zijn de kop van jut. Een aantal politieke partijen buiten deze vooroordelen schaamteloos uit omwille van electorale redenen.

De wortel en de stok van het sociale beleid

Het is een understatement om te stellen dat etnische minderheden het minder goed doen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. Ze kampen meer met schoolse vertraging, zijn oververtegenwoordigd in de werkloosheid en in precaire jobs, leven vaker in armoede, en zijn meer op het OCMW aangewezen voor een uitkering. Op sociaal vlak voert de stad Gent een tweesporenbeleid. Enerzijds hanteert ze de stok door te controleren en te bestraffen. Het OCMW spoort bijvoorbeeld actief zwartwerk en sociale fraude op. Het kraken van panden wordt consequent en (vaak repressief) beëindigd. Anderzijds gebruikt ze ook de wortel door in te zetten op ondersteuning en sociale inclusie. Gezien de lokale bevoegdheden hebben de meeste maatregelen op dat vlak betrekking op het onderwijs en de taalbeheersing. Zeker het gebruik van brugfiguren en de thuistaal op school is hierbij een goede zaak en verdient uitbreiding.

We constateren echter dat de spanning tussen deze benaderingen stijgt, helaas vaak in het voordeel van het bestraffen. Het gevaar bestaat bovendien dat het bestraffen vaak tot minder vertrouwen van de doelgroep in de overheid leidt, met minder kansen om te ondersteunen tot gevolg. Sociale fraude moet zeker aangepakt worden (net zoals fiscale fraude uiteraard), maar ondersteunen werpt nog steeds de meeste vruchten af op de lange termijn. Naar aanleiding van de gemeenteraadsverkiezingen zal deze spanning tussen de wortel en de stok alleen maar toenemen. Het is dan ook aan de Gentse burger en het Gentse middenveld om uit te maken welk sociaal beleid ze willen.

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Informatie

Dit bericht was geplaatst op juli 18, 2012 door in Uncategorized en getagd als , , .

Navigatie

%d bloggers liken dit: