Pieter-Paul Verhaeghe

Interview over het boek ‘Migrant zkt Toekomst’ voor Kif Kif

You don’t know your past, you don’t know your future. De wijze woorden van Ziggy Marley zinderen 25 na de release van ‘Tomorrow People’ nog na en vormen als het ware de grondslag van het boek ‘Migrant zkt toekomst’ van Pieter-Paul Verhaeghe, Koen Van der Bracht en Bart Van de Putte. Het boek is een antwoord op de vraag ‘waar gaat dat naartoe met de migratie?’ Echter, vooraleer een antwoord te geven op die vraag, blikken de onderzoekers terug op de geschiedenis van de migratie en brengen ze ook de huidige situatie in kaart. Hoewel ze enkel de migratie in het Gentse onder de loep nemen, zijn hun bevindingen wellicht van toepassing voor elke grootstad in België.migrant zkt toekomst

Ze hanteren de term ‘migrant’ voor de groepen die vandaag in het publieke debat worden bestempeld als zijnde van vreemde origine en maken een onderscheid tussen enerzijds de klassieke migrantengroepen, de Turkse en Marokkaanse Belgen en anderzijds de nieuwe migrantengroepen namelijk Midden- en Oost Europese Belgen.

Wie een romantisch verhaal verwacht over migranten die in een glazen bol kijken, komt bedrogen uit. Ook de gebruikelijke vergelijkingen aan de hand van culturele en religieuze verschillen blijven uit. De criteria die in rekening gebracht worden zijn transparant, de resultaten van hun metingen helder. Desondanks is ‘Migrant zkt.Toekomst’ vlot leesbaar, ook voor de statistische leek.


Pieter-Paul Verhaeghe, één van de auteurs, maakte tijd om mijn vragen te beantwoorden.

Wat is de ontstaansgeschiedenis van dit boek?                    

Pieter-Paul Verhaeghe: Het plan om deze materie aan te snijden vloeit voort uit een soort verontwaardiging over hoe het debat tot nog toe gevoerd werd. Door de berichtgeving over migratie in de media, zowel de behandelde thema’s als de teneur van het debat zaten we met een gevoel van onbehagen. In het maatschappelijke debat ligt de focus op culturele en religieuze aspecten en dat is zeker het volledige verhaal niet. Voor deze studie benaderden we migratie vanuit de grote keuzes die een mens in zijn leven maakt. Daarom hebben we meer naar meer structurele thema’s gekeken: wonen, werken en huwen en veel minder naar het cultureel religieuze. Hiervoor hebben we naar die naakte cijfers gekeken. Het resultaat is een volledig ander verhaal dan dat je in de mainstream media leest.

Kan je de opbouw van het boek uitleggen?

Verhaeghe: We hebben eerst heel kort de migratiegeschiedenis van de voornaamste, de grootste migrantengroepen in Gent geschetst. De klassieke migratie, van de Turkse en Maghrebijnse Gentenaars, start in de jaren ’60. De immigratie van de nieuwe Gentenaars, uit Midden- en Oost-Europa is een recentere ontwikkeling. We lichten kort toe wat de migratiemotieven zijn, wat hun positie is op de arbeids- en huisvestingsmarkt. Naast de beweegredenen bekijken we de duur van hun verblijf, de migratiepatronen en vergelijken we de bevindingen voor beide groepen. Vervolgens nemen we die grote maatschappelijke of levenskeuzes onder de loep: voor welke levenspartner men kiest, welk beroep men uitoefent en waar men zich vestigt. In het laatste hoofdstuk, tot slot, volgt een opsomming van onze bevindingen en schetsen mogelijke toekomstscenario’s voor de verschillende migrantengroepen in Gent.

Zijn er parallellen tussen de oude en de nieuwe migranten?

Verhaeghe: Een betreurenswaardige overeenkomst is de stigmatisering. Bij de Turkse en Maghrebijnse migranten begon dat in jaren zeventig, met een eerste triest hoogtepunt in 1982, een racistisch geïnspireerde aanslag op een Turks café. Diezelfde stigmatisering is vandaag gericht op de Roma van Bulgaarse of Slowaakse origine. De negatieve houding van de dominante maatschappij ten opzichte van etnische minderhedengroepen is nog steeds een feit. Een andere parallel is de sociaal-economische achterstelling die zowel de Turks- Marokkaanse Gentenaars alsook de Bulgaarse en Slowaakse Gentenaars niet vreemd is.

Er zijn ook belangrijke verschillen. Tot de jaren negentig was er nauwelijks sprake van een migrantenbeleid die naam waardig. Nu is er een hele integratiesector uitgebouwd met wisselend succes. Een ander onderscheid is het motief en het patroon van migratie. De grenzen in Europa zijn immers opengesteld. We merken dat er meer aan tijdelijke en cirkelmigratie gedaan wordt. Een heel ander stramien noteren we bij de Turkse en Marokkaanse Gentenaars, zeker na 1974, het jaar van de officiële arbeidsmigratiestop.

De migratiestop heeft volgens jullie onderzoek gezorgd voor meer en duurzamere migratie. Kan je dat uitleggen?

Verhaeghe: Het klinkt misschien tegenstrijdig, maar hoe sterker de grenzen geaccentueerd worden, hoe permanenter de migratie wordt. Of eigenlijk is het omgekeerd, als de grenzen zeer open zijn, gaan migranten met louter een sociaal-economisch motief, ook de kans krijgen terug te keren naar het land van oorsprong. In 1974 werden de grenzen quasi-volledig gesloten, met de officiële migratiestop. Dat noopte de migranten die al dan niet clandestien aanwezig waren in België, om te kiezen voor een regularisatie om in België te kunnen blijven of van een tijdelijk naar een permanent verblijf te gaan. Het alternatief was terug te keren naar het land van oorsprong, in de wetenschap dat er geen (legale) weg terug was. Die keuze stelt zich minder voor de Oost Europese migranten door de uitbreiding van de Europese Unie naar het Oosten, want de grenzen blijven open. In een notendop: als je weet dat je nog kan terugkomen, ga je je niet per se permanent vestigen. En dat horen we zelden of niet in het maatschappelijke debat. Er wordt vaak gedacht dat de grenzen sluiten een goede manier is om de migranten buiten te houden. Niets is minder waar. Bovendien heeft de geschiedenis bewezen dat het sluiten van de grenzen een vergeefse poging was om migranten buiten te houden.

Het is opvallend dat jullie daar geen stelling over innemen.

Verhaeghe: We richten ons bewust uitsluitend op feiten, door de naakte cijfers te tonen geven we de lezer de mogelijkheid zelf een mening te formuleren. Als je in het licht van het verzamelde cijfermateriaal de feiten beschouwt, vorm je wellicht een andere mening over migratie in België dan wanneer je uitsluitend de gebeurtenissen volgt waarover de media bericht.

Tot welk doelpubliek richten jullie ‘Migrant zkt. Toekomst’?

Verhaeghe: Het is in de eerste plaats een vulgariserend boek. We willen het grotere verhaal vertellen, in tegenstelling tot het merendeel van wetenschappelijk onderzoek dat toegespitst is op een microscopisch klein gebied. We willen een ruimere context schetsen over de huidige situatie van oude en nieuwe migrantengroepen in Gent, nagaan wat hun maatschappelijke positie is. In plaats van culturele fenomenen te bestuderen, hebben we naar meer structurele topics gekeken. We willen uit de academische wereld breken, en schrijven derhalve ook voor beleidsmakers, voor de man in de straat, voor Gentenaars die iets willen te weten komen over hun mede-inwoners.

Jullie halen veel mythes en denkbeelden onderuit. Was dat de opzet?

Verhaeghe: Toch niet, we waren zelf verrast door onze bevindingen. We verwachtten, mede door het discours in de media en het feit dat er nieuwe migrantengroepen zijn, dat de concentratiewijken net in belang zouden toenemen. Ook het feit dat immigratiehuwelijken drastisch gedaald zijn was onverwacht. We dachten: het zal stabiel zijn of het zal toenemen. We waren eigenlijk echt verrast, aangenaam verrast.

Denk je dat het een geruststellend boek is voor mensen die migratie als bedreigend ervaren?

Verhaeghe: We constateren dat voor de klassieke migrantengroepen de segregatie op zowel sociaal-economisch als ruimtelijk vlak afneemt. Dat zal eerder een geruststelling zijn. Voor de nieuwe migrantengroepen is de situatie veel urgenter en problematischer, zeker op sociaal-economisch vlak. Daar is er mijns inziens zeker reden tot bezorgdheid. Heel veel jongeren groeien op in een kansarm gezin wat een gigantische verspilling van talent is. Oost-Europese kinderen, de Rom in het bijzonder, groeien vaak op in kansarme gezinnen, het is onze taak als samenleving om deze sociale en economische achterstand weg te werken. De achterstelling van hele bevolkingsgroepen is overigens meer dan een morele kwestie, de implicaties zijn immers nefast voor de hele samenleving. Om de welvaartstaat te consolideren hebben we iedereen nodig, zowel de oude als de nieuwe Belgen. Niet alleen voor henzelf maar voor de hele samenleving. Daarnaast brengen een gebrekkige scholing, kleine huisvesting en economische precariteit ook problemen van een andere aard teweeg, zoals nachtlawaai, sluikstorten….

Jullie spreken van migratie-enclaves, welke rol hebben deze gespeeld?

Verhaeghe: Zulke enclaves kunnen een emancipatorische functie hebben, maar zijn geen ideale scenario’s. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig zijn die Turkse en Marokkaanse concentratiebuurten ontstaan, deels als reactie op de discriminatie op de huisvestingsmarkt. Het betrof nood-kopen, waarbij ze uit noodzaak een woning voor een appel en een ei kochten, vaak zeer kleine, slecht onderhouden woningen. In die wijken is er een ‘etnische economie’ ontstaan, een Turks-Marokkaanse economie. Iedereen kan zich daar duidelijk iets bijvoorstellen. Als je vandaag de dag naar de Wondelgemstraat, de Tolhuislaan, of de Brugse Poort gaat, zie je heel mooie voorbeelden van deze etnische economie. In tegenstelling tot vroeger is die etnische economie echter niet meer louter op de eigen gemeenschap gericht. De Turkse bakker blijft bestaan, maar er komen zowel Turkse, Marokkaanse als Belgische klanten over de vloer. Deze economie vloeit op haar beurt ondermeer voort uit de achterstellling op de reguliere arbeidsmarkt. Voor sommige was het tevens een sociale springplank, maar niet voor iedereen. Die succesvolle ondernemers groeien mettertijd door naar de middenklasse. Het is dan ook die groep Turkse en Marokkaanse Gentenaars die uit de enclaves wegtrekt naar de meer welgestelde stadsrand. Maar het is dus geen ideale situatie, deels omdat het in dat geval een kwestie van de wet van de sterkste is, niet iedereen slaagt in het ondernemerschap. Daarenboven heeft wonen in sociaal-economische achtergestelde buurten een zware impact op de levenskansen en de gezondheid, ongeacht de eigen opleidingsgraad en professionele situatie. Het betreft de zogeheten negatieve buurtinvloeden die niemand ontzien. Daarom ben ik geen fan van enclaves of concentratiebuurten.

De ondertitel luidt ‘Gent op een keerpunt tussen oude en nieuwe migratie’. Wat is dat keerpunt?

Verhaeghe: We observeren twee keerpunten. Een eerste keerpunt is de overgang van gesloten, arme Turkse en Marokkaanse enclaves op zichzelf gericht naar een Turks-Marokkaans-Belgische middenklasse mozaïek waarin interactie tussen de verschillende bewoners bestaat. Dit lees je zelden in de media of hoor je amper in het politieke debat. Vandaar dat het een keerpunt is, we zien het stiekem als een stille revolutie. Dat is het eerste keerpunt en tevens een mijlpaal in de migratiegeschiedenis van de klassieke migrantengroepen in ons land. Het tweede keerpunt is uiteraard de recente instroom van migranten uit Midden- en Oost- Europa met een grote diversiteit binnen de diversiteit. Poolse, Bulgaarse en Slowaakse Gentenaars verschillen erg van elkaar en ook binnen die groepen is er grote verscheidenheid. Tot de jaren negentig dacht men bij migratie aan Zuid-Europeanen, Turken en Marokkanen en in mindere mate ook aan Congolezen. Vandaag is migratie veel ruimer. We kunnen het tweede keerpunt benoemen als de superdiversiteit van het migratieverhaal vandaag, niet alleen is er een grote verscheidenheid in de origine van migranten, ook het sociaal-economisch profiel, het wettelijk statuut en de verblijfsduur varieert naargelang de individu.

Momenteel zien we mozaïekvorming in de samenstelling van de Gentse wijken, hoe zou die kaart er idealiter moeten uitzien?

Verhaeghe: De grootste uitdaging is het openbreken van een aantal witte burchten. Vaak denkt men bij een sociale mix of een etnische mix dat men de concentratiebuurten moet aanpakken terwijl die eigenlijk super gemengd zijn. Er is geen dominantie van een bepaalde etnische groep. De diversiteit in die buurten weerspiegelt veelal de brede maatschappij. Problematischer zijn de witte scholen, de witte verenigingen en in het algemeen de witte buurten waar er totaal geen diversiteit is, enkel blanke hoogopgeleide tweeverdieners. Daar moet de mix meer ingang vinden, met zachte en harde maatregelen.

Die mozaïekwijken zijn vanuit het perspectief van migranten positief want ze staan voor sociale vooruitgang. Hoe staan de oorspronkelijke bewoners van die buurten t.o.v. deze evolutie?

Verhaeghe: Aanvankelijk staan de bewoners van die witte buurten weigerachtig tegenover inwijkelingen van vreemde origine. Toch betwijfel ik of er zich ook echte problemen voordoen. Het gaat om middenklasse Turken en Marokkanen die in bijna elk opzicht op die oorspronkelijke bewoners lijken. Na een aantal maanden van gewenning komt dat zeker in orde. Er zullen wel altijd racisten blijven, maar het merendeel van de gezinnen is gerustgesteld als de nieuwe bewoners hun kinderen ook naar de buurtschool sturen, deelnemen aan de buurtactiviteiten en nieuwjaarskaarten zenden. Als er al kleine wrijvingen zijn, verdwijnen die na verloop van tijd.

Het zijn eigenlijk de armere concentratiebuurten, waar armere migranten en oorspronkelijke Gentenaars samenlevingsproblemen ervaren. Deze problemen hebben grotendeels een sociaal-economische grondslag, wat niet weg neemt dat het voor spanningen zorgt.

Deze wijken zullen blijven voort bestaan, welke strategieën kunnen daar soelaas brengen?

Verhaeghe: In mijn beleidsaanbevelingen aan de lokale overheden pleit ik voor een politiek van nabijheid. We moeten enorm inzetten op buurtbemiddelaars en stewards. Die mogen de problemen niet onder de mat vegen, in Gent gaat het voornamelijk om sluikstorten, nachtlawaai en roekeloos verkeersgedrag. Bemiddelaars moeten buurtbewoners hierover aanspreken, desnoods met een wijkagent in het zog.

In een tweede aanbeveling staan de buurtgerichte initiatieven, zoals sociale tewerkstellingsinitiatieven in de buurt. De inschakeling van pakweg de werkloze, laaggeschoolde vrouw met hijab in een sociale kinderopvang, aan goede arbeidsvoorwaarden natuurlijk. Op die manier komen de blanke middenklasse ouders op een positieve manier in contact met de andere Gentenaars. Ik denk dat die initiatieven veel heilzamer zijn en veel efficiënter zijn dan initiatieven gericht op het samenbrengen van de culturele groepen in de buurt. De tijd van de interreligieuze wandelingen en de interculturele theekransjes is voorbij. Die hebben overigens niet gewerkt, daarmee preken we voor eigen parochie. Dus we moeten inzetten op buurtactiviteiten die een breder maatschappelijk doel dienen, bijvoorbeeld een sociaal tewerkstellingsproject of een ecologisch project van stadsmoestuintjes die als neveneffect hebben de verschillende etnische groepen uit de buurt bij elkaar te brengen op een organische manier.

Ten derde denk ik aan buurtinspraak. Zo loopt er in Gent een project waarbij een aantal uren per maand de prioriteiten van de politie door de bewoners ingevuld wordt. Spanningen worden weggewerkt vooraleer ze tot een trieste culminatie komen.

Een vierde punt is de ruimtelijke ordening, ik heb het in het bijzonder over voldoende pleintjes en brede voetpaden, het lijkt banaal en daarmee kan je niet alles verhelpen, toch is het wel belangrijk. Er is tevens nood aan voldoende ontmoetingsruimten, deze zorgen ervoor dat bewoners dichter bij elkaar komen.

Concentratie worden in de media vaak bestempeld als problematisch, wat zijn de grote pijnpunten?

Verhaeghe: De Gentse burgemeester (Daniël Termont) staat erom bekend om iedere zaterdag in de Gentse buurten aan de bel te gaan trekken bij willekeurige bewoners om een praatje te slaan en een vinger aan de pols te houden. Hij gaat naar de moeilijke buurten eerst. De meest voorkomende knelpunten zijn wat hij zelf de drie V’s noemt: verkeer, veiligheid en vuiligheid. Concreet gaat het om roekeloos rijgedrag, wildplassen, vandalisme en sluikstorten. Hoewel er in Gent ongetwijfeld ook drugshandel, zakkenrollen en gewapende overvallen voorkomen, zijn dit niet zaken waar de Gentenaars over klagen.

Migrant zkt. Toekomst, vanwaar die titel?

Verhaeghe: ‘Migrant zkt. Toekomst’ gaat over migrantengroepen in Gent en hun mogelijke evoluties in de toekomst. Het is een positief verhaal geworden, met positieve toekomstperspectieven, vooral voor de klassieke migrantengroepen. Anderzijds is er ook reden tot bezorgdheid voor de meer recente inwijkelingen. Maar ook daar zijn we genuanceerd, want verschillende scenario’s zijn mogelijk. Eigenlijk is de ondertitel veel belangrijker, het gaat over de oude en nieuwe migratie en over het keerpunt waarop de geschiedenis staat.
We hebben ons de vraag gesteld, wat willen we dat de mensen onthouden over het boek en soms moet je dat in een of twee of drie lijntjes kunnen samenvatten: met de klassieke migrantengroepen is er een keerput ingezet en het gaat de goede kant uit. Het komt wel goed. Ten tweede er is veel diversiteit, superdiversiteit, migratie is ruimer dan Turken, Marokkanen, Congolezen of Zuid-Europeanen. Ten derde, hoe gaan we als maatschappij om met deze nieuwe migrantengroepen? Voor iedere groep, subgroep of persoon gaat dat anders zijn, maar we hebben wel als maatschappij invloed op en verantwoordelijkheid over de richting die we inslaan inzake migratie.

Welke rol spelen de migrantengroepen zelf, welke verantwoordelijkheden nemen zij op zich?

Verhaeghe: We hadden het eerder over de etnische economie in de gekleurde enclaves. Die zijn veelal ontstaan als  antwoord op de uitsluiting op de arbeidsmarkt. Die ondernemingen genereren jobs en bijgevolg welvaart. Er is nog steeds armoede bij etnisch-culturele minderheden. Tegelijk groeit er een middenklasse. Het resultaat is een groeiende ongelijkheid binnen de gemeenschappen. Vroeger waren Turkse advocaten of Marokkaanse dokters zeldzaam, nu kijkt niemand daarvan op. Die hebben ongewild een voorbeeldfunctie. Al is er nog werk aan de winkel, er stromen steeds meer allochtone leerlingen door naar het hogeronderwijs dan 20 jaar geleden. De kracht van die verandering (knipoogt) komt uit de gemeenschap zelf.
Een andere observatie is de sterke daling van huwelijksimmigratie, in het geval van de Turkse Gentenaars zijn er een derde minder huwelijken met een partner uit Turkije. Niet dat huwelijksmigratie helemaal zou moeten verdwijnen., Daar pleiten we ook niet voor. Desondanks zijn er potentiële nadelen van dergelijke huwelijken, voor beide partners. Deze conclusies zijn niet uit de lucht gegrepen, ze vloeien voort uit kwalitatief onderzoek van de Gentse vakgroep Sociologie.
Migrantengroepen strijden op verschillende manieren voor hun vooruitgang, zelfs wanneer de beweegredenen louter economisch en individualistisch zijn. Het is nu aan het beleid en aan het brede maatschappelijke veld om hun verantwoordelijkheden mee op te nemen.

Dit interview door Najet Boulafdal verscheen op Kif Kif.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Informatie

Dit bericht was geplaatst op februari 13, 2013 door in Uncategorized en getagd als , , , , , , .
%d bloggers liken dit: