Pieter-Paul Verhaeghe

Wat vinden sociale wetenschappers van praktijktesten en mystery calls?

#praktijktestennu is een initiatief van verschillende middenveldorganisaties in de strijd tegen discriminatie. In aanloop van de tweede hoorzitting over discriminatie op de arbeidsmarkt in het Vlaams parlement, legde Hakim Benichou drie stellingen voor aan sociale wetenschappers. De stellingen gaan over praktijktesten en mystery calls.

Stelling 1. Praktijktesten en mystery calls door de overheid zijn meer wenselijk dan deze door de sector zelf.

Nadia Fadil: Het is belangrijk om de premissen of vooronderstellingen achter de stellingen te verduidelijken. In principe gaat het hier over de koppeling van praktijktesten aan het doel van een sterk antidiscriminatiebeleid. In dat geval klopt de stelling niet, want er wordt nu al jaren verwacht dat sectoren en bedrijven via zelfregulering de problemen inzake discriminatie oplossen, maar dat is niet (voldoende) het geval. De zelfregulering is te vrijblijvend.

Pieter-Paul Verhaeghe: De zelfregulering binnen een sector kan ook aan de hand van mystery shopping en praktijktesten gebeuren. Dat is bijvoorbeeld wat Federgon (koepelorganisatie van de uitzendsector) de laatste jaren al doet. Sinds 2011 voert ze mystery calls uit bij aangesloten uitzendkantoren. Maar de zelfregulering in deze sector kampt met minstens twee geloofwaardigheidsproblemen: ten eerste is ze verre van transparant over de gebruikte methodologie en de resultaten en ten tweede laat ze het na om discriminerend gedrag te sanctioneren. Wat het tweede punt betreft kunnen we stellen dat praktijktesten en mystery calls een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde zijn om discriminatie aan te pakken. Ze kunnen op een objectieve manier een patroon van discriminatie aantonen, maar leiden niet automatisch tot een gedragsverandering. Discriminerende bedrijven moeten verplicht worden om hun gedrag te veranderen. Zelfregulering botst hier duidelijk op haar limieten. Federgon vraagt haar leden die via mystery calls op discriminatie betrapt werden om een actieplan uit te werken. De interimkantoren zijn volledig vrij hoe ze dit doen. Federgon dreigt ook om het kwaliteitslabel af te nemen wanneer een interimkantoor drie keer betrapt wordt op discriminerend gedrag. Sinds de start van haar mystery calls in 2011 is er echter nog geen enkel agentschap zijn kwaliteitslabel kwijt geraakt. Dat is weinig geloofwaardig in een sector waar het dossier Adecco reeds structurele discriminatie aantoonde.

Orhan Agirdag: Volgens mij is noch de overheid, noch de sector zelf een geschikte actor om praktijktesten of mystery calls uit te voeren. Enerzijds is de overheid een bureaucratische en logge machine, zeker wanneer het gaat over discriminatie. Bovendien is de overheid afhankelijk van de politieke kleur van het moment die in democratieën afhankelijk is van een electorale meerderheid. Wat discriminatie betreft gaat het echter om de belangen van de minderheden die niet of zelden de electorale meerderheid hebben. Dit maakt dat controlemechanismen op discriminatie die afhankelijk zijn van politiek en overheid geen duurzame oplossing kunnen bieden. Anderzijds heeft de sector zelf economische belangen om discriminatie niet aan te pakken (onder meer om geen klanten weg te jagen). Het is uitermate naïef om te denken dat een voluntaristische instantie de reusachtige problemen van discriminatie kan aanpakken. Want waarom zou een orgaan binnen de sector niet exact dezelfde fouten maken als de sector zelf? Een alternatief is om een onafhankelijke agentschap tegen discriminatie op te richten. Dit agentschap kan dan in samenwerking met onafhankelijke universitaire experts praktijktesten of mystery calls op een systematische en correctie wijze uitvoeren. De data die hieruit vloeit dient opengesteld te worden voor andere wetenschappers zodat processen van discriminatie beter in kaart gebracht kunnen worden. Slechts na deze onafhankelijke controle heeft de overheid en de sector een functie. De overheid dient namelijk discriminatie (hard) te bestraffen. De sector dient om sensibiliseringsacties uit te voeren.

Maarten Loopmans: Het lijkt me dat je praktijktesten/mystery shopping op twee manieren kan gebruiken. Als instrument om wantoestanden mee aan te pakken of als instrument voor de overheid om de effectiviteit van zelfregulering na te gaan. Wanneer het eerste gebruik wordt gekozen, zullen er veel tests moeten gebeuren om een impact te hebben op het gedrag binnen de sector, omdat de pakkans groot genoeg moet zijn. Dit lijkt me praktisch moeilijk te organiseren, en duur. Praktijktesten zullen niet door de overheid zelf kunnen worden uitgevoerd, omdat er te weinig personeel beschikbaar is om voldoende controles uit te oefenen zonder tegelijk in de aandacht te lopen. Het zal moeten worden uitbesteed wat ofwel de prijs zal opdrijven, ofwel de kwaliteit en zo de geloofwaardigheid van de tests nadelig zal beïnvloeden. De tweede optie lijkt me wel zinvol, omdat men met een beperkter aantal praktijktesten een hele sector kan disciplineren om zichzelf beter te reguleren. Los van deze praktische dimensies, lijkt het me belangrijk om de juridische kracht van praktijktests wettelijk goed te onderbouwen zodat de praktijktests effectief tot bestraffing kunnen leiden (en niet enkel een symbolisch instrument worden).

Olivia Rutazibwa: Idealiter doen beide instanties de testen en mystery calls. De sector zelf omdat het integraal deel uit maakt van de kwaliteitsmonitoring van hun diensten en ze zouden systematisch als zodanig opgevat moeten worden in hun werking. De overheid heeft dezelfde plicht vanuit een inclusief burgerschap / welvaartstaat idee.

Stelling 2. Praktijktesten zijn niet toereikend om het vermoeden van discriminatie in het onderwijs aan te tonen.

Nadia Fadil: Ook hier is het belangrijk om duidelijk te maken waarop de stelling precies betrekking heeft. Indien het gaat over discriminatie bij het inschrijven van kinderen met een migratieachtergrond in scholen kunnen praktijktesten wel nuttig zijn. Maar indien het gaat over subtielere vormen van discriminatie tijdens het dagelijks leven op school of specifieker in de lessen dan is dat veel moeilijker om na te gaan en is langdurig onderzoek nodig. Voor sommige vormen van discriminatie in het onderwijs kunnen dus in de tijd beperkte praktijktesten gebruikt worden zoals de samenstellingstelling van het leerlingenbestand of de diversiteit bij leerkrachten.

Pieter-Paul Verhaeghe: Uit kwalitatieve studies blijkt dat discriminatie een groot probleem is in het onderwijs. Het gebruik van praktijktesten om een vermoeden van discriminatie in het onderwijs aan te tonen is echter minder evident. Een groot deel van de inschrijvingen in het onderwijs gebeurt via een objectief inschrijvingssysteem. Praktijktesten zijn daar niet mogelijk. Wat eventueel wel zou kunnen is dat men twee (fictieve) ouders van verschillende origine op schoolbezoek stuurt en vervolgens nagaat of de behandeling door de directie significant anders is. Maar deze methode is zeker niet zonder problemen. Een andere probleem is dat discriminatie zeer vaak voorkomt in de beslotenheid van een klaslokaal. Ook daar zijn praktijktesten niet mogelijk.
Orhan Agirdag: Dit is afhankelijk van de situatie. Bovendien heb je soms zelfs geen praktijktesten nodig om discriminatie in het onderwijs aan te tonen. Het lezen van schoolreglementen is vaak voldoende. Zo staat in heel wat schoolreglementen dat het spreken van een andere taal op school verboden is wat indruist tegen artikel 30 van de rechten van het kind.

Maarten Loopmans: Niet alleen in het onderwijs, maar ook op de arbeids- of huisvestingsmarkt zullen praktijktests niet alle vormen en momenten van discriminatie kunnen opsporen. Bijvoorbeeld mystery calling naar huisbazen kan wel de discriminatie verminderen op het moment van contactname van de kandidaat-huurder met de huisbaas, maar sluit niet uit dat op latere momenten in het verhuurproces (bv. bij de toewijzing of bij de uitvoering van het contract) de huurder nog gediscrimineerd zal worden.

Olivia Rutazibwa: Ze zijn mogelijks niet voldoende om sluitend discriminatie in het onderwijs aan te tonen in individuele gevallen, maar ze zijn een noodzakelijk onderdeel van het pakket aan maatregelen om een anti-discriminatie cultuur te kweken in deze hoogst belangrijke sector van de samenleving.

 Stelling 3. Door praktijktesten gaan bedrijven die goed bezig zijn, maar  uitzonderlijk een fout maken even hard imago schade oplopen als bedrijven die veel fouten maken.

Nadia Fadil: Neen daar ben ik het niet mee eens. Een brave burger die voor een keer een snelheidsovertreding begaat is op dat moment even schuldig als iemand die er al veertien heeft begaan. Dat risico is er. Maar de schade die hierdoor gecreëerd wordt moet niet overdreven worden. Het is de aanpak van discriminatie die maakt of de reputatie van een bedrijf schade oploopt. Bij praktijktesten zullen de regels rond billijkheid net zozeer gelden als bij andere juridische procedures. Bovendien zal er nood zijn aan een aanpak op maat per sector waarbij zowel kleine als grote spelers per sector worden onderzocht. Verhuurders controleren vergt een andere methodiek dan bijvoorbeeld bouwbedrijven controleren omdat de termijnen van een huurcontract langer lopen en bouwbedrijven voortdurend op zoek zijn naar nieuw of extra personeel.
Pieter-Paul Verhaeghe: Om wetenschappelijk verantwoorde uitspraken over individuele bedrijven te kunnen doen, moet men die bedrijven herhaaldelijk testen. Pas wanneer herhaaldelijke testen bij eenzelfde bedrijf wijzen op een structureel patroon van ongelijke behandeling, kan men gewag maken van discriminatie. Een bedrijf dat uitzonderlijk een fout maakt zou met andere woorden niet tegen de lamp mogen lopen. De hamvraag hierbij is uiteraard hoeveel praktijktesten per bedrijf voldoende zijn om een structureel patroon te kunnen vaststellen. Spreken we van 3, 5, 10 testen per bedrijf?

Orhan Agirdag: Bekijk het als een snelheidsovertreding. Je krijgt ook een boete bij de eerste keer dat je geflitst wordt. Maar recidivisten moet natuurlijke sterker bestraft worden. Het equivalent van het rijbewijs intrekken is de bedrijfsvergunning intrekken.

Maarten Loopmans: Dit is een statistisch onzinnige uitspraak. Bedrijven die uitzonderlijk een fout maken lopen veel minder kans om tegen de lamp te lopen bij een praktijktest dan bedrijven die systematisch discrimineren; bovendien is een praktijktest geen losstaand instrument en zal een bedrijf dat ongewild discrimineert en hierop wordt gewezen via een praktijktest, de kans hebben om die fout te herstellen. In die zin is een praktijktest niet anders dan enig ander kwaliteitscontrole instrument.

Olivia Rutazibwa: Niet als praktijktesten een systematisch intern en extern evaluatie-instrument zijn. Ze moeten opgevat worden als een van de vele maatregelen die ondernomen worden – niet altijd automatisch punitief – maar als een monitoring instrument van frequentie en graad van normalisatie van discriminatie en racisme in eenbedrijfscultuur.

Deze blog verscheen op de website van Kif Kif.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Informatie

Dit bericht was geplaatst op mei 25, 2015 door in Uncategorized en getagd als , , , , .
%d bloggers liken dit: